Categorie: Fiscaal

Echtscheiding en aanmerkelijk belangaandeelhouder

Echtscheiding en aanmerkelijk belangaandeelhouder

Bij een echtscheiding spelen emoties een grote rol. Boosheid, teleurstelling, verdriet, rancune, we komen het allemaal tegen en iedereen kan zich er iets bij voorstellen. Financieel moeten er altijd veel zaken worden geregeld: eigen woning, pensioen, verdeling vermogen…. Voor een directeur aandeelhouder geldt dit des te meer en ook: opletten om niet in fiscale valstrikken te lopen!

Aanmerkelijk belang

Als iemand meer heeft dan 5% van het (geplaatste) aandelenkapitaal van een BV of een NV dan is er sprake van een aanmerkelijk belang. Dit betekent dat over ontvangen opbrengsten uit die aandelen (dividend) en over verkoopwinsten 26,9% belasting (2021) moet worden betaald.

Wijziging wettelijke gemeenschap

Met huwelijkse voorwaarden kan ieder vorm van verdeling van aangebrachte vermogensbestanddelen worden bewerkstelligd. Toch is de huwelijks goederengemeenschap decennia lang het meest voorkomende huwelijksgoederenregime geweest. Met ingang van 1 januari 2018 is dit regime ingrijpend veranderd en moeten we goed onderscheid maken tussen huwelijken die gesloten zijn voor en na die datum, zeker als er aanmerkelijk belangpositie in het spel is.

Huwelijksdatum na 1 januari 2018

Als een huwelijk (zonder het maken van huwelijkse voorwaarden) is gesloten na 1 januari 2018 dan blijven aanmerkelijk belangaandelen behoren bij degene die ze voor het huwelijk al had. Bij een latere echtscheiding komen deze aandelen niet in de verdeling van huwelijks goederenboedel. Heffing van aanmerkelijk belang over de meerwaarde van de aandelen is dan niet aan de orde.

Huwelijksdatum voor 1 januari 2018

Bij een huwelijk voor 1 januari 2018 of bij huwelijkse voorwaarden die een (oude) gemeenschap scheppen (na 1 januari 2018), worden beide huwelijkspartners ieder voor de onverdeelde helft aanmerkelijk aandeelhouder. Bij een latere echtscheiding vallen de aanmerkelijk belangaandelen dus in de huwelijks goederenboedel en moeten worden verdeeld. Meestal zullen scheidende huwelijkspartners niet enthousiast zijn om ieder 50% van de aandelen te krijgen en op die manier zakelijk aan elkaar gebonden te blijven.

Als de verdeling van de aanmerkelijk belangaandelen afwijkt van 50%-50% vindt er in zoverre een overdracht plaats en dus -in beginsel- heffing over de meerwaarde van de overgedragen aandelen. Gelukkig komt de wetgever voor de meeste gevallen met een oplossing: De verdeling van de huwelijksgemeenschap binnen 2 jaar na ontbinding van de huwelijksgemeenschap waartoe de aandelen behoren wordt meestal niet als een vervreemding van aanmerkelijk belang aandelen gezien. U leest -terecht- “meestal” en dat roept de vraag op: Wanneer niet dan?  Er zijn een paar voorwaarden maar de belangrijkste waardoor het soms mis gaat: degene die de aandelen verkrijgt is (met een nieuwe liefde) in het buitenland gaan wonen. In dat geval moet er alsnog fiscaal afgerekend worden.

Omdat er fiscaal geen vervreemding plaatsvindt moet de verkrijgende echtgenoot de oorspronkelijke verkrijgingsprijs van de aandelen blijven aanhouden als verkrijgingsprijs. Dat de aandelen bij de verdeling van de huwelijks goederenboedel wellicht meer waard zijn speelt geen rol.

Verdeling binnen 2 jaar

Als het niet lukt om de boedel te verdelen binnen 2 jaar dan leidt een afwijkende verdeling van de aanmerkelijk  belangaandelen (anders dan 50-50) tot heffing over de meerwaarde van de aandelen van de onder bedeling. De termijn begint te lopen op het moment dat het verzoek tot echtscheiding is ingediend bij de Rechtbank. Als het door overmacht niet lukt om binnen 2 jaar tot een verdeling te komen , dan moet –voordat de termijn verstreken is– een verzoek worden gedaan aan de belastinginspecteur om de termijn te verlengen en dus belastingheffing te voorkomen. Als de termijnoverschrijding te wijten is aan het handelen van de Belastingdienst wordt verlenging van de 2 jaarstermijn altijd verleent.

Bij echtscheiding van een aanmerkelijk belanghouder is het van groot belang om de fiscale positie goed in kaart te hebben om onverwachte en ongewenste heffingen te voorkomen.

Fidation is bij uitstek de specialist op fiscaal en financieel vlak bij complexe echtscheiding en zakelijke conflicten. Neemt u gerust contact met ons op.

 

Bij echtscheidingen werken wij vaak samen met de specialisten van Stokvis Mediation www.stokvis-mediation.nl .

 

De auto van de zaak: blijken is niet schatten

De auto van de zaak: blijken is niet schatten

Weinig onderwerpen roepen zoveel emotie op aan de borreltafel als de auto van de zaak. Niets menselijks is mij vreemd en ook ik word vrolijk een fraai opgepoetste vierwieler. Behalve de glimmende bolide is er de bijtelling: voor veel gebruikers een doorn in het oog! Soms wordt met kunst en vliegwerk (achteraf) een kilometeradministratie in elkaar geknutseld om toch maar beneden de 500 km privé-gebruik per jaar te blijven. Hof ’s Hertogenbosch moest recent weer eens oordelen over een al te doorzichtige kilometeradministratie.

De regeling

De regeling is eigenlijk vrij simpel, als je een auto van de zaak hebt en je rijdt daarmee 500 km of meer voor privé-doeleinden dan moet er 22% van de cataloguswaarde van de auto worden bijgeteld. Deze bijtelling is voor de ondernemer (inkomstenbelasting) als voor de werknemer (loonbelasting) even hoog en ook de tegenbewijsregeling (500 km privé is gelijk luidend). Voor volledig elektrische auto’s geldt een bijtelling van 12% van de cataloguswaarde (2021).

Blijken

Indien uit een rittenadministratie of anderszins blijkt dat de auto voor niet meer dan 500 km voor privé-doeleinden wordt gebruikt wordt de bijtelling op nihil gesteld. Blijken is het fiscale woord voor bewijzen. In het fiscale recht moeten aftrekposten doorgaans aannemelijk worden gemaakt, dat is een veel mindere zware bewijslast dan “blijken”.

Ook bij Hof ’s Hertogenbosch ging het mis voor de belastingplichtige, hij ontkwam met een gebrekkige kilometeradministratie niet aan de bijtelling voor het privé-gebruik auto. Eigenlijk zou een rechter niet eens uitspraak hoeven te doen als je de volgende feiten leest:

2.3.

Op 14 september 2011 is een rit vermeld van [vestigingsplaats] naar [plaats 1] , waarbij als beginstand staat vermeld 154.957 en als eindstand 154.919. In week 39 is op 30 september 2011 een eindstand van de kilometerteller genoteerd van 156.561. De beginstand in week 40, op 3 oktober 2011, is 155.561 kilometer.

2.4.

In een brief van 20 april 2018 schrijft [C] van [de garage] (hierna: de garage) dat de auto op 15 juni 2011 met een kilometerstand van 141.709 en op 30 november 2011 met een kilometerstand van 163.907 voor een onderhoudsbeurt in de werkplaats is geweest. Belanghebbende heeft ook een bon (‘werkplaatskaart’) van de garage van 30 november 2011 overgelegd, waarop een kilometerstand van 163.907 is vermeld. Deze kilometerstand komt overeen met de kilometerstand in de rittenregistratie op die datum. In de rittenregistratie is op 15 juni 2011 geen rit naar de garage vermeld.

Ik kan soms heel slecht begrijpen waarom dit soort zaken bij een rechter komen: kansloze missie!

Hoe moet het wel?

In principe geldt er altijd de vrije bewijsleer en staat het aan belastingplichtigen vrij hoe zij bewijzen dat ze minder dan 500 km privé hebben gereden. De Wetgever komt belastingplichtigen echter te hulp en geeft aan dat een rittenregistratie ten minste bevat:

a. merk, type en kenteken van de auto;
b. periode van terbeschikkingstelling van de auto;
c. per rit:
1. datum;
2. beginstand en eindstand van de kilometerteller;
3. beginadres en eindadres;
4. de gereden route indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke;
5. het karakter van de rit.

Besparen op de bijtelling is mogelijk.

Mag /kan het ook anders?

Zoals hiervoor aangeven geldt de vrije bewijsleer, dus mag de belastingplichtige op elke mogelijke manier doen blijken dat hij minder dan 500 km privé heeft gereden. Niet vaak lukt het de belastingplichtige om de rechter, zonder sluitende kilometeradministratie,  toch te overtuigen dat er minder dan 500 km privé is gereden.

Enkele voorbeelden waar het wel goed ging:

Hof ’s Gravenhage 1995: Autohandelaar met een eigen auto die van zijn werkgever het woon-werkverkeer met een zakelijke auto mocht rijden maar deze nadrukkelijk niet voor andere doeleinden mocht gebruiken.

Hof ’s Hertogenbosch 2013: Exploitant van een jachthaven stelt 3 oude auto’s ter beschikking om zakelijke ritten mee te maken. Verklaringen van het personeel dat deze auto’s niet voor privé (mogen worden) gebruikt overtuigen het Hof.

Het is echt zoeken naar voorbeelden in de jurisprudentie die -ondanks het ontbreken van een sluitende rittenadministratie- toch goed gingen bij de rechter.

Conclusie

Zonder een deugdelijke kilometeradministratie wordt het heel lastig om onder de bijtelling voor privé gebruik auto uit te komen. Soms echter zijn er andere en wellicht voor u interessantere mogelijkheden dan het ter beschikking stellen van een auto van de zaak. Misschien een idee om binnenkort eens verder over te praten? Ik maak graag tijd voor u!

 

Te laat is soms echt te laat……

Te laat is soms echt te laat……

Veel ondernemers in het MKB hebben een holding en één of meerdere werkmaatschappijen. Dat is om allerlei redenen een goede constructie om te ondernemen. Wanneer de onderneming echter is gestopt kan de constructie leiden tot onbedoelde belastingheffing.

Ondernemen in het MKB

Veel ondernemers in het MKB kiezen ervoor om te ondernemen in een zogenaamde holdingconstructie: De persoon van de ondernemer (directeur aandeelhouder) heeft de aandelen van een Holding-BV. De Holding-BV heeft de aandelen in een (of meerdere) Werk-BV(‘s) waarin de feitelijke onderneming wordt uitgeoefend. Schematisch ziet het er dan als volgt uit:

De winsten in de Werk-BV kunnen, als gevolg van een faciliteit in de vennootschapsbelasting (deelnemingsvrijstelling), onbelast worden uitgekeerd aan de Holding-BV. Hierdoor zijn de gemaakte winsten niet meer blootgesteld aan het ondernemingsrisico in de Werk-BV. Door dezelfde faciliteit kan de Holding-BV de aandelen in de Werk-BV onbelast verkopen. Op deze manier kan een bedrijfsopvolging eenvoudig en zonder directe belastingheffing verlopen. Een prima constructie dus, fiscaal voordelig en risicobeperkend. Maar toch……..

Toen ging het mis!

De directeur aandeelhouder (hierna: dga) had jarenlang een aannemingsbedrijf gehad, dat flink was gegroeid. Zo’n 15 jaar geleden is het aannemingsbedrijf (de Werk-BV) verkocht voor iets meer dan 8 miljoen euro. Door deze verkoop en de jarenlange winstuitkeringen bedroeg het vermogen van de Holding-BV toen bijna 20 miljoen euro.

De dga besloot destijds om in onroerend goed te gaan beleggen, daar had hij immers verstand van. Bij de bank werd er ca. 10 miljoen bij geleend en er werd een onroerend goedportefeuille aangeschaft van 30 miljoen euro.  Jaarlijks leverde dit onroerend goed tussen de 3 en 5% rendement op, dat belast werd met vennootschapsbelasting. Er werd zoveel mogelijk herbelegd om de onroerend goedportefeuille te laten groeien.

Recent overleed de dga. Hij had een dochter die tevens de erfgenaam was, van -vooral- de aandelen in de Holding-BV met een eigen vermogen van inmiddels ruim 35 miljoen euro.

Hoe ging het fiscaal?

Allereerst moest er 26,9% (tarief 2021) belasting betaald worden over de waarde van de aandelen van Holding-BV vermindert met de oorspronkelijke verkrijgingsprijs (aanmerkelijk belang). Deze rekening bedroeg ongeveer  9,5 miljoen euro.

Het restant van ca. 25 miljoen euro werd belast met erfbelasting, dat kostte ook nog eens bijna 5 miljoen euro.

In totaal moest er dus bijna 14,5 miljoen aan de fiscus worden betaald oftewel meer dan 40% van het totale vermogen.

De hoge belastingaanslagen maakten dat veel onroerend goed -ongepland- moest worden verkocht om de fiscus te kunnen betalen. Door deze min of meer gedwongen verkoop leverde het onroerend goed minder op dan bij een verkoop die goed tevoren zou zijn voorbereid.

Had dit anders gekund? Ja, en sterker het had anders gemoeten. Er zouden hier aanzienlijke bedragen aan belasting bespaard kunnen worden als ik tijdig geraadpleegd zou zijn.

Neemt u gerust contact op als u twijfelt over uw fiscale positie, ik help u graag.

 

Een dag duurt 24 uur……

Een dag duurt 24 uur……

HR 29 januari 2021: Om voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) bij co-ouderschap in aanmerking te komen moet een kind per week 3 maal 24 uur bij een ouder verblijven.

Bij een echtscheiding met kinderen is een fiscale reden om te kiezen voor co-ouderschap de IACK. Als een kind niet bij een ouder staat ingeschreven in de basisregistratie personen maar wel in een repeterend ritme ten minste 156 dagen per jaar (dus 3 dagen per week) bij die ouder verblijft dan heeft die ouder (ook) recht op de IACK. Dat is een belangrijk (netto) inkomensbestanddeel dat kan oplopen tot € 2.185. (11,45% van het arbeidsinkomen boven € 5.153).

Aan de Hoge Raad werd de vraag voorgelegd wat een dag nu eigenlijk inhoudt. Als een kind ’s morgens vroeg bij een ouder komt en ’s avonds weer naar de andere ouder gaat, is dat dan een dag?

In de eerdere procedure voor het Gerechtshof meende dit hof dat dit zo was. Immers in het spraakgebruik bedoelen we met een dag toch ook van ’s morgen vroeg tot ’s avond laat. Bovendien had de ouder nog met de Belastingtelefoon gebeld en die dachten ook dat een dag eigenlijk gewoon “overdag” betekende.

Helaas voor de ouder, maar de Hoge Raad dacht er echt anders over.

De korting mag bij co-ouderschap worden toegepast als beide ouders de zorg voor het kind ook echt delen.  Dat staat in de wetsgeschiedenis. In principe zou iedere ouder 3,5 dag per week de zorg moeten dragen maar qua praktische uitvoerbaarheid is voor toekenning van de IACK 3 dagen voldoende maar dan wel: 3 x 24 uur!

Verder merkte de Hoge Raad nog twee belangrijke dingen op over de informatie die de ouder had verkregen.

  • Algemene informatie op de site van de Belastingdienst levert geen vertrouwen op dat in rechte beschermd kan worden. De Belastingdienst moet dus algemene informatie vrijelijk kunnen delen.
  • Een (onjuiste) inlichting van een overheidsinstantie (Belastingtelefoon) kan alleen maar tot te honoreren vertrouwen leiden als aan twee voorwaarden is voldaan. Allereerst kon de belastingplichtige niet weten dat de informatie fout was en ten tweede heeft de belastingplichtige op basis van deze (foute) informatie dingen gedaan, waardoor hij extra schade lijdt. Die extra schade is dus niet de belasting die je anders ook had moeten betalen.

Kortom een belangrijke uitspraak voor mensen in een echtscheidingssituatie, regel bij het echtscheidingsconvenant (en het ouderschapsplan) de zaken goed en bekijk dit ook fiscaal. Neem voor gedegen fiscaal advies contact met ons op, zodat we nare verrassingen kunnen voorkomen.